Grote Brand van Londen
Onder de Grote brand van Londen verstaat men de brand die drie dagen door de City van Londen woedde vanaf 2 september 1666 en die een belangrijk deel van de stad verwoestte. De vernietigde oppervlakte bedroeg anderhalf bij anderhalve vierkante mijl, met 87 kerken en 13.200 huizen. Verbazingwekkend genoeg vermelden de annalen slechts negen tot zestien slachtoffers.
![]()
eerste dag
![]()
tweede dag
![]()
derde dag
Hoe is dat onstaan?
De brand begon in Pudding Lane, in het oosten van de stad, in het huis van Thomas Farrinor of Farriner, de bakker van koning Karel II. Volgens veel schrijvers ontstond de brand doordat Farrinor had vergeten het vuur in zijn oven te doven voor hij naar bed ging. Kort na middernacht zouden smeulende asresten een stapel hout in brand gezet hebben. Hijzelf beweerde echter dat het vuur in zijn benedenhuis ontstaan was. Farrinor werd rond één uur door de brand wakker. Hij wist met zijn gezin te ontsnappen via een bovenraam. De meid van de bakker durfde echter niet over het dak, viel terug in de zolder en werd het eerste slachtoffer.
Binnen een uur na het ontstaan van de brand werd de burgemeester, Sir Thomas Bludworth, wakker gemaakt en op de hoogte gesteld. Na het vuur met eigen ogen te hebben aanschouwd, verklaarde hij dat het om een kleinigheid ging (‘A woman might piss it out’) en ging weer slapen.
De meeste gebouwen in Londen waren destijds uit brandbaar materiaal opgetrokken, zoals hout en stro. De overbevolkte stad had nog grotendeels een middeleeuws karakter. Daarbij was de zomer erg heet en droog geweest. De rondvliegende vonken werden aangewakkerd door een felle oostenwind, waardoor naastliggende panden vlam vatten en de brand zich zeer snel uitbreidde. Daarbij kwam dat de huizen zeer dicht opeen stonden en de straten zeer smal waren waardoor het vuur eenvoudig kon overslaan.

Samuel Pepys, secretaris van de admiraliteit, deed uitgebreid verslag van de brand in zijn bewaard gebleven dagboek. Hij was het ook die de koning als eerste kond deed van de brand en volmachten kreeg voor de burgemeester om door het omtrekken van huizen brandgangen te maken. Het vuur werd de eerste dag echter onvoldoende serieus genomen en wist zich zo in westelijke richting langs de noordoever van de Theems door een strook van zeshonderd meter lang en tweehonder meter breed heen te vreten. Hier bevonden zich vele pakhuizen met brandbaar materiaal. Met moeite werd voorkomen dat de brand via de huizen op London Bridge de zuidelijke oever bereikte.
De tweede dag breidde de brand zich fors uit. Langs de noordoever lag het in de avond nog maar een honderd meter van de westelijke stadsmuur, zodat de bestrijders van het vuur afgesneden waren van de enige bron van water. Het kroop echter ook tot achthonderd meter noordwaarts de hellingen op en ging zich van daaruit weer in westelijke richting verbreiden door de nog in kracht aanwakkerende oosterbries.
De derde dag was er geen houden meer aan. Tienduizenden sloegen in paniek op de vlucht. In het noorden verteerde het vuur alles tot aan de stadsmuur. In het oosten werd het schootsveld van de Tower of London bereikt. Een zone in het noordoosten van de stad was alles wat gespaard bleef voor de vlammen, want in het westen sloeg het vuur zelfs over de stadmuur heen tot aan de gronden van het Palace of Whitehall en kon slechts door het met buskruit opblazen van hele straten een halt toegeroepen worden. Er ontstond een vuurstorm met als centrum de heuvel waarop de oude St Paul’s Cathedral stond waarvan het silhouet urenlang sinister tegen een tweehonderd meter hoge vuurkolom afstak totdat de muren van de machtige kathedraal door de hitte barstten en het bouwwerk als laatste van alle instortte.
Op de vierde dag doofde het vuur uit zichzelf bij gebrek aan brandstof. Nog weken was de grond onbegaanbaar door de resthitte en keldervoorraden steenkool en hout zouden nog vele maanden nasmeulen. Ruim 80% van de City was in as gelegd. Het aantal slachtoffers was volgens de officiële bronnen echter erg gering; slechts van een klein aantal individuen kon vastgesteld worden dat ze omgekomen waren. Er was echter geen burgerlijke stand of woonregister — alleen een Bill of Mortality waar mensen zelf overlijdensgevallen moesten melden — en de felle hitte kan velen verast hebben zonder identificeerbare resten achter te laten. De regering van Karel II deed er alles aan om een massahysterie te voorkomen en had er dus alle belang bij het aantal zo laag mogelijk voor te stellen.
well.. it’s like I thought!
Da frage ich mich beim Durchlesen schon, ob man selbst nicht irgendwie auf den Kopf gefallen war. Herzlichen Dank für Ihre Einsichten
Hoi ik heet Tyron van Schaik Ik kom uit Amersfoort en ben op zoek naar een leuke date